Diagnostiek bij FNAITP


Datum oktober 2012
Auteur: L.Porcelijn

Inventariserend laboratoriumonderzoek
Alloantistof onderzoek
Monoclonal Antibody Immobilization of Platelet Antigens
Plaatjes ImmunoFluorescentie Test
Kruisproeven
HPA genotypering
Foetale genotypering
Autoantistof onderzoek
Tabel: de klinisch belangrijke alloantistoffen

 

Inventariserend laboratoriumonderzoek

 

Verwachting bij FNAIT

Valkuil

Neonaat:

trombocyten aantal

verlaagd

Uitsluiten andere oorzaken trombocytopenie

Moeder:

Antistofonderzoek

Inclusief kruisproeven tussen serum moeder en trombocyten vader.

En HPA genotypering van neonaat, moeder en vader

positief

Sensitiviteit ± 97%

 

Overige inventariserend laboratoriumonderzoek

Neonaat:

Plasma Trombopoietine (TPO) gehalte

 

normaal (<100 AU/ml)

 

Moeder:

Autoantistof ondersoek

negatief

 

Bij verdenking FNAIT tijdens de zwangerschap

Foetale HPA-1a genotypering met DNA geisoleerd uit maternaal plasma

 

 

Foetale HPA genotypering met DNA geisoleerd uit vruchtwater.

 

 


Alloantistof onderzoek:

Bij verdenking neonatale of foetale trombocytopenie door maternale trombocyten antistoffen (indien geen trombocytenantistofonderzoek verricht wordt in eigen centrum):

Insturen naar Sanquin (aanvraagcode T911, formulier 5 of 10) link Sanquin



Monoclonal Antibody Immobilization of Platelet Antigens (MAIPA) (zie figuur)

De MAIPA is een glycoproteine specifieke ‘sandwich’ ELISA, met enerzijds een monoclonale IgG muis anti humane antistof gericht tegen een van de glycoproteinen op de trombocytenmembraan en anderzijds de eventueel in het maternale serum aanwezige trombocyten antistoffen. Het glycoproteine met beide gebonden antistoffen wordt losgemaakt (solubilisatie) van de trombocyt en met een geit anti muis moab gebonden op een microtiterplaat. Eventueel gebonden maternale antistoffen worden met een Horse Raddish Peroxidase (HRP) gelabeld conjugaat zichtbaar gemaakt. Op deze manier is de locatie van de antistoffen tot een specifiek glycoproteine te beperken. Door daarbij een panel van getypeerde donor trombocyten suspensies te testen kan gedifferentieerd worden tussen de verschillende antigenen op een glycoproteine.

Deze techniek is zowel zeer sensitief (97%) als specifiek (>98%). Door de concentratie van de relevante glycoproteinen op de microtiterplaat is de test ook geschikt voor het aantonen van antistoffen tegen HPAs op glycoproteinen met een lage expressie (b.v. GPIa/IIa met HPA-5b). 

Zwakke punten

Doordat het HPA-3 systeem op GPIIb dicht bij het membraan gelokaliseerd is, kan het zijn dat bij solubilisatie het HPA-3a of -3b antigeen kapot gaat. Daardoor kan het voorkomen dat antistoffen tegen HPA-3a of -3b niet aantoonbaar zijn in de MAIPA.

figuur 1

figuur 2


Plaatjes ImmunoFluorescentie Test (PIFT)

In de PIFT (vergelijkbaar met de rode cel antiglobuline test) worden de volledige trombocyten getest. Het patiënten serum (bij FNAIT het maternale serum) wordt ingezet met een panel van getypeerde donor trombocyten suspensies. Na incubatie wordt met behulp van een fluorescentie gelabeld Igtotaal conjugaat antistofbinding zichtbaar gemaakt onder de microscoop of in de flowcytometer (FACS).

De HPA-3a of 3b antistoffen kunnen beter aantoonbaar zijn in deze test. 

Valkuilen

In de PIFT zijn antistoffen gericht tegen HPA’s met een lage expressie op trombocyten (b.v. HPA-5b) minder goed aantoonbaar dan in de MAIPA.

De PIFT heeft een minder goede sensitiviteit en specificiteit dan de MAIPA. 


Kruisproeven tussen trombocyten van de vader en serum van de moeder

Om antistoffen tegen laag frequente en private antigenen aan te tonen, worden kruisproeven, met trombocyten van de vader, in de MAIPA verricht. 


HPA genotypering

Voor het FNAIT onderzoek worden van kind, moeder en vader de HPA-1, 3 , 5 en 15 antigenen getypeerd. 


Foetale genotypering

In die gevallen waarbij er een anti HPA-1a aangetoond is en de vader heterozygoot is voor HPA-1a (kind 50% kans om HPA-1a positief te zijn), kan tijdens de zwangerschap een foetale HPA-1a genotypering worden verricht m.b.v. maternaal plasma. Voor de overige antigenen kan een foetale typering worden verricht m.b.v. amniocyten. 


Autoantistof onderzoek

FNAIT dient te worden onderscheiden van foetale/neonatale trombocytopenie o.b.v. maternale ITP. Dit kan door een goede klinische anamnese. Bij twijfel kan auto-antistof onderzoek bij de moeder worden verricht.

Trombocyt reactieve auto-antistoffen bij volwassenen zijn over het algemeen van de IgG klasse, al dan niet in combinatie met IgM antistoffen. De auto-antistoffen zijn tegen algemene kenmerken op de trombocyten gericht. IgG antistoffen tegen algemene kenmerken op trombocyten kunnen dus ook via de placenta aan Foetale/neonatale trombocyten binden en trombocytopenie veroorzaken.  


 

Laatste wijziging: 13 Nov 2012 - 16:38