Diagnostiek bij granulocytopenie


De directe immunofluorescentietest voor de detectie van granulocyten autoantistoffen
De indirecte immunofluorescentietest voor detectie van granulocyten auto-of alloantistoffen
De monoklonale antistof-gebaseerde immobilisatie van granulocyten antigenentest
Referenties

Diagnostiek bij granulocytopenie door autoantistoffen of alloantistoffen

De directe immunofluorescentietest voor de detectie van granulocyten autoantistoffen

Deze test wordt uitgevoerd met granulocyten geïsoleerd uit het bloed van de patiënt. Met behulp van fluorochroom-gelabelde antistoffen, specifiek voor immuunglobulinen (bijvoorbeeld anti-IgG of anti-IgM) kan met behulp van flow cytometrie of immunofluorescentiemicroscopie worden aangetoond of zich in vivo antistoffen aan de granulocyt hebben gebonden. Een positieve directe granulocyten-immunofluorescentie test kan echter ook veroorzaakt worden door aan de neutrofiele granulocyt gebonden immuuncomplexen. Vaak is het aantal circulerende granulocyten te laag om een directe immunofluorescentie test uit te voeren


De indirecte immunofluorescentietest voor detectie van granulocyten auto-of alloantistoffen

In deze test wordt het serum of plasma van de patiënt samengebracht met getypeerde test granulocyten. (indirecte antiglobuline test). Deze granulocyten worden voorafgaand aan de test geïsoleerd uit een bloeddonatie van donors waarvan de typering voor de vijf belangrijkste “Human Neutrofiele granulocyten Antigenen” (HNA) bekend is. Bij de passagere vorm van primaire autoimmuun neutropenie zijn vaak granulocyten autoantistoffen aantoonbaar. Aan het begin van de ziekte zijn deze antistoffen soms nog zeer breed reactief en binden ze aan alle typen test granulocyten. Soms al bij het begin van de autoimmuun neutropenie, soms later in het ziektebeeld, ontwikkelen zich HNA-1 specifieke granulocyten autoantistoffen. Een HNA-1-specifieke antistof past bij een vermoeden op passagere autoimmuun neutropenie van de kinderleeftijd (benign neutropenia of childhood, referentie 2-4). Bij chronische primaire of bij secundaire granulocytopenie behouden de granulocyten autoantistoffen vaak het breed reagerende (‘aspecifiek reagerende’) karakter.

Bij de verdenking op alloimmuun-gemedieerde granulocytopenie wordt deze test gebruikt om te onderzoeken of het plasma of serum van een vrouw antistoffen tegen granulocyten bevat. Met behulp van een panel van donorgranulocyten en met de MAIGA test (zie onderstaand) kan de specificiteit van de antistoffen vastgesteld worden. Granulocyten alloantistoffen zijn gericht tegen een van de HNA oftewel ‘bloedgroepantigenen van de granulocyt’: HNA-1, HNA-2, HNA-3, HNA-4 of HNA-5. Met behulp van DNA typering kan de HNA typering van de granulocyten van het kind vastgesteld worden.


De monoklonale antistof-gebaseerde immobilisatie van granulocyten antigenen (MAIGA) test.

In deze test kan specifiek nagegaan worden tegen welke structuur van de granulocyt eventuele autoantistoffen gericht zijn. Verse donorgranulocyten worden geincubeerd met zowel het serum of plasma van de patiënt als een monoklonale antistof gericht tegen een van de structuren die HNA (granulocyten bloedgroepen) dragen. Een bekende structuur is CD16, de IgG-Fc receptor type III. Door gebruik te maken van donorgranulocyten met een bekende typering kan door het verkregen patroon van uitslagen een HNA-specificiteit aan granulocyten antistoffen worden toegekend. Deze test wordt ook gebruikt voor het bepalen van de specificiteit van granulocyten alloantistoffen bij een verdenking op alloimmuun-gemedieerde granulocytopenie van de pasgeborene.

Bij bovengenoemde testen wordt gewerkt met ‘vers geïsoleerde’ granulocyten. De doorlooptijd van deze test is enkele weken. Deze testen worden uitgevoerd bij Sanquin Diagnostiek, laboratorium trombocytenleukocytenserologie, tel: 020-512 3379. Graag vooraf telefonisch overleg over de aanvraag en eventueel af te nemen materiaal (http://www.sanquin.nl/producten-diensten/diagnostiek/diagnostische-testen/?detail=85 )


Referenties

  1. Berliner, Horwitz en Loughran, Congenital and acquired neutropenia (2004) Hematology (63-79)
  2. Bruin et al., Primary autoimmune neutropenia in children: a study of neutrophil antibodies and clincal course. Vox Sanguinis (2005) 88, 52-59:
  3. Bruin et al., Neutrophil antibody specificity in different types of childhood autoimmune neutropenia. Blood (1999) 94: 1797-1802
  4. Bux elt al., Diagnosis and clinical course of autoimmune neutropenia in infancy: analysis of 240 cases. (1998) Blood 91:181.

 

 

Laatste wijziging: 13 Nov 2012 - 16:43